Over levenskracht en voorouders

De Asmat-cultuur in Zuid-Papoea is bekend om haar houtsnijwerk met abstracte motieven en gestileerde dierenmotieven. In dit wereldverhaal lees je hoe de houtsnijtradities onlosmakelijk verbonden zijn met de Asmat-wereldbeschouwing en de vroegere traditie van het koppensnellen. In de Asmat-cultuur draait alles om de levenskracht van de gemeenschap die in ceremoniële feesten bekrachtigd wordt.

Regenwoud en rivieren

Naar schatting 70.000 Asmat-mensen wonen in 120 dorpen met 300-2000 inwoners op de zuidkust van de Indonesische provincie Zuid-Papoea in het westelijke deel van het eiland Nieuw-Guinea, volgens Wikipedia. De Asmat kennen taalkundige en culturele verschillen. Het gebied is bedekt met regenwoud, doorsneden door een netwerk van meanderende rivieren. Vervoer, handel en visserij gaan voornamelijk over zee of via de rivieren. Zij leven voornamelijk van jacht, visvangst en verzamelen van voedsel, tegenwoordig aangevuld met opbrengsten uit tuinbouw, loondienst en handel. Vroeger nam het mannenhuis (jeu) een centrale rol in de gemeenschap in om belangrijke beslissingen te nemen, de voorouders te herdenken, en rituele voorwerpen te maken en te bewaren. De gemeenschapshuizen zijn tegenwoordig toegankelijk voor vrouwen. Tegen betaling mogen toeristen ook naar binnen. Uit hout worden prachtig versierde huizen, beelden, kano’s, schilden, peddels, voedselschalen, trommen en gebruiksvoorwerpen gemaakt. 

Een (meester)houtsnijder brengt het hout tot leven

Tot in de eerste helft 20e eeuw kon in principe iedere Asmat-man gebruiksvoorwerpen zelf snijden. Voor het snijden en/of ornamenteren van voorouderpalen en voorouderbeelden, voorstevens van kano’s, schilden, signaalhoorns en zandlopertrommen werd de hulp van een wow-ipits (meester-houtsnijder) ingeroepen. Een wow-ipits brengt het hout tot leven. Hij ontvangt hiervoor respect en prestige.

Een ontstaansmythe vertelt dat de eerste Asmat-mensen houten beelden waren, hun ellenbogen en knieën met elkaar verbonden. Pas toen hun maker Fumeripitsj op de trom sloeg, werden ze bezield en konden ze gaan staan. Deze gehurkte houding met gebogen armen en benen wordt geassocieerd met schepping, creatie, omdat mensen in deze houding geboren worden een ook de wereld verlaten. De houding wordt ook geassocieerd met een bidsprinkhaan, een belangrijk koppensnellerssymbool.

Je leest hier meer over Asmat-houtsnijwerk.

Voorouders zijn altijd aanwezig

Hout is in de Asmat-cultuur verbonden met mensen, levenskracht en voorouders. Een boom wordt gezien als een menselijk lichaam, en de vruchten worden beschouwd als mensenhoofden. Houtsnijwerk zorgt voor de communicatie tussen de mensen en de geestenwereld. Voorouders, zowel recent overleden als uit lang vervlogen tijden, zijn altijd aanwezig en worden afgebeeld in houten beelden en ornamenten. De voorouderbeelden spelen vaak een ceremoniële rol bij feesten en rituelen, om voorouders voorgoed vaarwel te zeggen of om bescherming te vragen. Na gebruik kunnen ze vergaan in het bos of moeras, en zo de groei van de sagopalm - belangrijk voor de voedselproductie - bevorderden. Houtsnijwerk is zo verbonden met de cyclische tijd van de Asmat, vruchtbaarheid en nieuw leven.

Deze houtsnijtraditie leeft voort en wordt nu ook ingezet voor verkoop van houtsnijwerk aan toeristen. 

Je leest hier meer over voorouderbeelden.

Dit voorouderbeeld is gemaakt door Pasei, de zoon van de eigenaar Namgai. Namgai’s ouders zijn uitgebeeld. Moeder Jéwèr staat op haar echtgenoot Tamban. Gemaakt voor het vashumbui-feest, ter ere van overleden verwanten en voorouders van de makers. Atjamets, voor 1961. (RV-3790-520)
Dit voorouderbeeld is gemaakt door Pasei, de zoon van de eigenaar Namgai. Namgai’s moeder Jéwèr staat op haar echtgenoot Tamban. Gemaakt voor het vashumbui-feest, ter ere van overleden verwanten en voorouders van de makers. (RV-3790-520)

Contact met voorouders via symbolen

Houtsnijwerk werd versierd met afbeeldingen van voorouders en abstracte weergaven van dieren. Het meest voorkomende motief was een bidsprinkhaan (wènèt), waarvan de bewegingen, ledematen en de grote ogen werden geassocieerd met een menselijk wezen. Het gedrag van een sprinkhanenvrouwtje heeft ook een sterke associatie met koppensnellen omdat ze na het paren de kop van het mannetje afbijt. 

Het wènèt motief lijkt sterk op het zijaanzicht van een menselijke figuur. En uit twee wènèts die ruggelings tegen elkaar worden geplaatst, ontstaat een mensfiguur, kavé genoemd.

Vogelkop-motieven zoals de zwarte konings- of palm-kaketoe (ufir), jaarvogel (fofojir), vleermuis (tar) en pelikaan (jênêpir) komen op veel voorwerpen voor, vooral op de voorstevens van de ceremoniële prauwen die vroeger in de oorlogvoering werden gebruikt.

Het eten van vruchten door vogels is een symbool voor het snellen van mensenhoofden. Een boom wordt gezien als een menselijk lichaam, en de vruchten worden beschouwd als mensenhoofden. Geesten van recent gestorven voorouders huizen in nachtdieren en eters van boomvruchten.

Levenskracht en zielenrust bewerkstelligen

Bij Asmat draaide alles om levenskracht. Volgens de traditie zou die geconcentreerd zijn in de schedel. Het menselijk bestaan is een bundeling van levenskracht. Dat wil zeggen dat een dorp des te welvarender is als het veel levenskracht in zich bergt. Als de totale levenskracht afneemt, bijvoorbeeld omdat veel belangrijke mensen dood gaan of sneuvelen, dan breekt er in een dorp paniek uit. In vroeder tijden waren sneltochten op vijandige dorpen een middel om verloren levenskracht aan te vullen met de levenskracht van de gesnelde slachtoffers. Het doel was het veroveren en mee terugbrengen de schedels en de namen van de slachtoffers.

Tot aan het midden van de 20e eeuw voerden Asmat-dorpen onderling nog strijd hoewel het ook wel om schijngevechten ging om tegenstanders je kracht te tonen.

Voorafgaand aan een sneltocht werd een bisj-feest (bisj pokmbu) georganiseerd, om de nog ronddolende geesten van de overledenen te wreken en daarmee het evenwicht te herstellen. Metershoge bisj-palen van mangrovehout werden gesneden met  afbeeldingen van recent overledenen en voor het mannenhuis opgesteld. Tijdens de ceremonie stonden de bisj-palen met het gezicht naar de rivier. De rivier is de weg naar de zee en achter de zee ligt het rijk van de voorouders (safan). De bisj-paal fungeerde als een rituele kano om de ziel naar het geestenrijk te voeren.

Voor een bisj-feest in het dorp Omandesep aan de Faretsj-rivier werden vier bisj-palen opgesteld. Tegen betaling (met tabak) werd het opstellen gereconstrueerd op 29 juni 1961. De palen zijn nu in Museum of Primitive Art, New York. Fotograaf Adrianus Alexander Gerbrands. (RV-a163-5-41)
Voor een bisj-feest in het dorp Omandesep aan de Faretsj-rivier werden vier bisj-palen opgesteld. Tegen betaling (met tabak) werd het opstellen gereconstrueerd op 29 juni 1961. De palen zijn nu in Museum of Primitive Art, New York. Fotograaf Adrianus Alex

Het proces van het kappen van de boom, het snijden van de afbeeldingen en het benoemen van de afgebeelde personen symboliseerde een sneltocht. Het betekende dat de verwantengroepen die daarbij betrokken waren de verplichting tot wraakneming op zich namen. Als het evenwicht eenmaal was hersteld konden de zielen van de overledenen hun oversteek naar het geestenrijk maken.  

De meeste bisj-palen in de museumcollectie zijn gemaakt toen er niet meer gesneld werd. Je leest hier meer over bisj-palen.

 

Een rituele kano om de ziel naar het dodenrijk te voeren

Een voorouderprauw (wuramon) is een ‘kano zonder bodem’, met daarin een aantal zittende mensfiguren met het hoofd voorovergebogen, een jaarvogel en een schildpad. De jaarvogel verbindt de wereld van de levenden met het hiernamaals. De schildpad is een vruchtbaarheidssymbool vanwege de grote hoeveelheid eieren die deze legt. De voorouderprauw speelt een belangrijke rol in het emak cem ritueel waarin jongens geïnitieerd worden en de overledenen nog een laatste keer in de dorpsgemeenschap aanwezig zijn. Als ze zien dat de gemeenschap weer versterkt wordt door jonge mannen die hun plaats innemen en zo de gemeenschap voorzien van nieuwe kracht dan vertrekken ze.

Je leest hier meer over zielenprauwen.

Afscheid nemen in een maskerkostuum

Om de paar jaar wordt in het Noordwestelijk Asmat-gebied een jipae-feest (of ti-feest) dat gevierd om recent overledenen te eren. Voor dit feest worden maskerkostuums gemaakt van gevlochten rotan of touw met een ‘rok’ van bladeren die tot aan de grond reikt. Elk maskerkostuum is genoemd naar de geest van een recent gestorvene. Deze komt nog éénmaal tot leven tijdens het hoogtepunt van het jipae-feest als de danser in het maskerkostuum ‘verandert’ in de overleden voorouder, zodat zijn nabestaanden afscheid kunnen nemen. Daarna vertrekt de geest van de overledene naar de voorouderlijke wereld. De danser zal zijn weduwe en kinderen adopteren en bij (ceremoniële) gelegenheden zijn plaats innemen.

Je leest hier meer over maskerkostuums.

Veranderingen van buitenaf

Door de komst van het Nederlandse bestuur en de katholieke missie vanaf begin jaren 1950 en de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië op 1 oktober 1962 veranderde er veel in de Asmat-samenleving. Koppensnellen en polygamie werden verboden, mannenhuizen werden vernietigd en ceremonies verboden. Westers onderwijs, het christelijk geloof, markteconomie en gezondheidszorg hebben een grote impact op het dagelijkse leven, maar ook een weekritme met een zondagse rust, de introductie van moderne gereedschappen en technologie en buitenboordmotoren. Door grootschalige houtkap en (palmolie)plantages van internationale bedrijven verdwijnen grote hoeveelheden bos in hoog tempo. Als die fysieke omgeving verdwijnt dan gaat ook het contact met de voorouders verloren omdat voorouders aanwezig zijn in bomen, stenen, plaatsen en andere elementen in het bos en moeras.  
Door de toenemende druk op hun leefgebied en levenswijze wordt het steeds moeilijker voor de Asmat om hun cultuur te behouden.

Wil je deze Asmat en andere voorwerpen uit Papoea bekijken? Bezoek dan de tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden.

Over de auteurs

Ad Boeren is opgeleid als antropoloog en assisteert als vrijwilliger het Wereldmuseum bij het registreren van de collecties van zuidwestelijk Nieuw-Guinea.   

Marijke Kunst is collectieregistrator in het Wereldmuseum en registreert met drie andere registrators de Papoea-collectie (50.000 voorwerpen) in 2025-2026. 

Gerelateerde activiteiten